
“Een kleine revolutie in de huisvesting van melkvee”
In de huisvesting van melkvee is een duidelijke trend waar te nemen: steeds meer boeren kiezen voor meer dierenwelzijn. In feite komt het gemiddelde onderkomen van het melkvee dicht tegen de criteria van de Maatlat Duurzame Veehouderij aan. Toine van Erp is werkzaam als zootechnisch specialist bij de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD-Deventer) en hij constateert dit gegeven in de praktijk. “Maar dat wil niet zeggen dat de sector neigt naar certificering”, zegt hij.
Voor de huisvesting van melkvee bestaan geen eensluidende opvattingen. “Ook bij adviesbureaus wordt daar verschillend over gedacht”, zegt Van Erp.
Kleine revolutie
Van Erp constateert dat er duidelijk sprake is van een tendens. “Je kunt wel spreken van een kleine revolutie”, zegt hij. “Als je nu vergelijkt met de jaren ’90, dan zie je duidelijk dat veehouders kiezen voor ruimere boxen. Veel veehouders hebben de stand van het voerhek en de ligboxscheidingen aangepast. Als globale richtlijn kan voor een koe een schofthoogte van 148 cm en een romplengte van 177 cm worden aangehouden: beduidend groter dan een jaar of twintig geleden. Dat komt door het toenemende percentage Holsteinbloed in onze melkveestapel. Dit heeft weer gevolgen voor het advies voor bijvoorbeeld de boxbreedte, kopruimte, bewegingsruimte en de ligbox.” “Voor een buitenbox wordt al snel een boxlengte van 2m70 geadviseerd en voor een boxbreedte 1m20, aldus Van Erp. “Een koe lag vroeger op beton met een handje zaagsel: tegenwoordig op een comfortabel matras of in een diepstrooisel ligbed. Als je dit vergelijkt met de jaren ’80 dan is er echt sprake van een ommekeer. Een kleine revolutie die ook door een steeds groter deel van de veehouders wordt geaccepteerd.”
Koecomfort
Er is volgens Van Erp een duidelijke switch naar comfort voor de koe waarneembaar. “Maar het blijft lastig: koecomfort kan een flinke investering vragen, maar je kunt niet direct berekenen hoe die investering zich terugbetaalt. Er zijn geen harde cijfers voorhanden die duidelijk maken dat een ruimere stal meer rendement oplevert. We zien wel dat de gewenste melkproductie makkelijker gehaald wordt in een nieuwe stal en dat aandoeningen als klauwproblemen, nekbulten, dikke hakken en voorknieën veel minder voorkomen. In ligboxenstallen uit de jaren ’80-’90 heeft zo’n 70% van het melkvee dergelijke afwijkingen. Tegenwoordig ligt dat percentage veel lager. Harde cijfers zijn er niet, maar ik schat dat het percentage melkvee met dit soort afwijkingen gehalveerd is.” Bij de veehouders is het kwartje wel degelijk gevallen, stelt Van Erp. “De aanname is zeker dat een goede huisvesting zich terugverdient, ook als is dit niet direct hard te maken met cijfers. Bij varkens en kippen is dit bijvoorbeeld gemakkelijker te berekenen: in het houden van deze dieren zitten veel meer constante factoren. Een koe gaat in de zomer naar buiten, heeft te maken met diversen weersomstandigheden en een veel meer variërend voeraanbod met alle gevolgen vandien.”
Welkom
Er is dus ontzettend veel verbeterd, maar een behoefte aan certificering is er in de sector nauwelijks, ziet Van Erp. “Vanuit mijn ervaring durf ik wel te zeggen dat wanneer een instantie iets toe te voegen heeft aan de sector, die persoon altijd welkom is. Maar kom niet aan met geneuzel over millimeters.” Daar komt nog bij dat de regelgeving mijlenver achterloopt bij de praktijk. “Alles wordt over één kam geschoren: de regels kijken niet naar wat voor soort koe in een stal wordt gehouden. Neem de kleine Jersey koe: daarvoor zijn de voorgeschreven boxmaten uit de jaren ’80 weer ruim voldoende. Het gaat erom dat je kijkt naar welke koe in welke stal staat en dat daarop de stal beoordeeld wordt.”
[Publicatie uit magazine SMK-Nieuws 61, maart 2010]